Naar de inhoud

Documentatie

VMware vSphere

Provibr koppelt aan een vCenter Server en beheert de virtuele machines in zijn inventaris: bestellen, klonen, starten, stoppen, opschorten, verwijderen en verbruik uitlezen. Dat gaat via dezelfde agent, dezelfde plannen en dezelfde auditrij als elke andere integratie.

Waar dit aan koppelt

De integratie praat met vCenter Server via zijn Web Services API. Alles wat het paneel doet (plaatsing, klonen, gastinrichting) loopt via vCenter, dus een cluster met DRS blijft zelf bepalen op welke host een machine terechtkomt.

Een losse ESXi-host wordt niet ondersteund. Hij antwoordt op dezelfde API en het aanmelden lukt zelfs, maar hij kent geen clusters, geen DRS en geen resource pool om naar te klonen. De agent controleert waar hij mee praat en weigert een losse host, in plaats van bij je eerste bestelling om te vallen.

Waarin het van Proxmox verschilt

Het model is hetzelfde: een agent, een integratie, plannen en sjablonen. Vier dingen gedragen zich anders, en dat zijn precies de dingen die je merkt.

Een machine wordt aangeduid met zijn instance-UUID en niet met een nummer dat Provibr uitdeelt. Alles wat je in de instellingen kiest (datacenter, resource pool, netwerk) is een vSphere-objectverwijzing en geen naam, want namen zijn in vSphere alleen uniek binnen hun map. En de ‘node’ die je in het paneel ziet is het datacenter en niet de ESXi-host: die host wisselt bij elke vMotion, en een machine die elk uur lijkt te verhuizen is niet te volgen.

Wat je invult

Vier velden. Maak een eigen gebruiker aan in plaats van een beheerder te hergebruiken: vCenter heeft geen intrekbaar API-token, dus de rol op het account is de begrenzing.

  • Het https-adres van vCenter, zoals je het in de browser opent.
  • De gebruikersnaam inclusief domein, bijvoorbeeld provibr@vsphere.local.
  • Het wachtwoord. Het reist eenmalig naar je agent en wordt door Provibr nooit opgeslagen.
  • De SHA-256-vingerafdruk van het certificaat dat vCenter presenteert.
Geef het account een rol op het datacenter dat het mag beheren. Aanmelden lukt met elk account dat vCenter kent, dus een account zonder rol koppelt gewoon en ziet daarna helemaal niets: geen fout, alleen een lege inventaris. Daarom meldt de verbindingstest hoeveel datacenters hij ziet: nul betekent dat de inloggegevens kloppen en de rol ontbreekt.

De TLS-vingerafdruk

Lees hem uit vanaf elke machine die vCenter kan bereiken:

shell
openssl s_client -connect <host>:443 </dev/null 2>/dev/null | \
  openssl x509 -noout -fingerprint -sha256
Commando's en terminaluitvoer zijn overal Engels, in het paneel en op deze pagina's. Één tekst, één waarheid: wat je hier leest is letterlijk wat je host teruggeeft.

Dit veld is verplicht. vCenter serveert altijd een certificaat van zijn eigen ingebouwde CA, dus er is geen publiek vertrouwde keten om op terug te vallen en ook geen onversleuteld pad. Met een vingerafdruk vertrouwt de agent dat ene certificaat in plaats van de controle uit te zetten.

Neem de vingerafdruk van het machinecertificaat en niet die van de ingebouwde CA. De vSphere Client toont ze allebei en ze lijken op elkaar. Wie de CA vastlegt, krijgt een koppeling die het meteen doet en maanden later stilvalt, bij de eerstvolgende certificaatrotatie.

Instellingen

Waar nieuwe machines terechtkomen. Je kiest ze uit wat vCenter meldt; er valt niets in te typen.

  • Het datacenter waar nieuwe machines in komen.
  • De resource pool. Op een DRS-cluster is dit de root pool van dat cluster en kiest vSphere de host.
  • De portgroup waar de netwerkkaart aan komt te hangen.
  • Eventueel een vaste host. Laat dit leeg waar DRS aanstaat.
Er is geen datastore-instelling. Een kloon erft de opslag van zijn sjabloon, en dat sjabloon staat al ergens waar het mag staan; een eigen keuze zou je een datastore laten aanwijzen die de doelhost misschien niet eens ziet.

Sjablonen

Een sjabloon is in vSphere een gewone virtuele machine die als zodanig gemarkeerd staat, in dezelfde inventaris. Koppel hem aan een besturingssysteem in je catalogus en bestellingen van dat systeem klonen ervan.

De lijst toont het datacenter naast de naam, want twee sjablonen kunnen in verschillende mappen dezelfde naam dragen. Geef het sjabloon VMware Tools en cloud-init mee; Provibr levert de gastinrichting via het guestinfo-kanaal, en dat werkt op elk cloudimage zonder extra eisen.

Wat je met een machine kunt

Aanmaken uit een sjabloon, starten, stoppen, resetten, netjes afsluiten en herstarten via VMware Tools, opschorten en hervatten, de status uitlezen en verwijderen.

Nog niet: schijven en netwerkkaarten toevoegen of verwijderen, en herinstalleren. Herinstalleren is in vSphere opnieuw klonen, en er is geen commando dat dezelfde machine op zijn plek opnieuw opbouwt. Een firewall per machine bestaat in vSphere helemaal niet: dat is NSX, een apart product.

Netwerk

Een nieuwe machine krijgt één kaart op de portgroup uit de instellingen, en zijn adres uit je IPAM als het plan een pool heeft.

Distributed portgroups worden ondersteund en zijn het normale geval. Ze hangen anders vast dan klassieke netwerken (aan de uuid van hun switch plus hun eigen sleutel), en de agent leidt dat af uit het object zelf, dus daar valt voor jou niets aan in te stellen.

Importeren wat er al staat

Machines die buiten Provibr om in vCenter bestaan kun je vanaf de integratiepagina importeren: vink aan wat je wilt en ze verschijnen als servers, met hun datacenter, status en specificaties.